Een ruit lijkt op een parallellogram: beide paren tegenovergestelde zijden zijn evenwijdig.
Maar de ruit gaat een stap verder. In plaats van dat alleen de tegenovergestelde zijden aan elkaar gelijk zijn, zijn bij een ruit alle vier de zijden aan elkaar gelijk.
Als alle hoeken recht zijn en alle zijden aan elkaar gelijk, is de vorm natuurlijk een vierkant. Dus je kunt een ruit beschouwen als een vierkant die een beetje omgevallen is. Alle vier de zijden zijn aan elkaar gelijk, maar de hoeken zijn groter of kleiner dan 90°.
Merk ook op dat bij een ruit, net als bij een parallellogram, de tegenovergestelde hoeken aan elkaar gelijk zijn.
|
|