Driehoeken die dezelfde basisvorm maar een andere grootte hebben, worden gelijkvormige driehoeken genoemd.
Een vorm wordt gedefinieerd door hoeken. Met andere woorden, twee driehoeken worden gelijkvormig genoemd, als alle drie de hoeken hetzelfde zijn, maar hun zijden een andere lengte hebben.
In het diagram aan de rechterkant is hoek DEC hetzelfde als hoek ABC. Dit betekent dat deze twee hoeken gelijk zijn: BAC = EDC en ABC = DEC. ACB en DCE zijn dus ook gelijke hoeken.
Isotiles zijn zodanig ontworpen dat je steeds grotere driehoeken kunt maken, maar toch steeds dezelfde hoeken houdt als één scherpe Isotile of als één stompe Isotile.
Zorg ervoor dat je de grootte van elke hoek onthoudt (die heb je al uitgerekend), zodat je goed kunt controleren of je dezelfde driehoeken hebt, hoe groot de driehoek ook wordt.
|
|